Begijnen

Begijnen zijn vrouwen die zich wijden aan God maar geen kloosterlijke geloften afleggen. Ze leefden wel collectief samen en hielden zich vooral bezig met liefdadigheid. De afkomst van het woord begijn is nog steeds niet zeker. Het woord heeft zeker geen enkel verband met H. Begga noch met Lambertus li Beges. Van Mierlo zag er een vervorming van Albigenzen(albeghin-i) welke een kathaarse beweging uit de 12e eeuw was. Deze Albigenzen waren onderlegd aan een sterk christelijk geloof. A. Mens(1948) dacht dat het van het woord bège(vaalgrijs) kwam wat afgeleid zou kunnen zijn van hun habijt.

Geschiedenis:

Men neemt aan dat de begijnen in de 12e eeuw zijn ontstaan onder invloed van de raadselachtige vroomheidsbeweging. Het waren vooral vrouwen die in een stedelijk gebied in volledige afzondering leefden om in hun kleine huisjes de zieken te kunnen helpen. De leiding werd waargenomen door een grootjuffrouw of magistra. In het bisdom van Luik en Waals Brabant onstonden de eerste begijnhoven. Ook andere landen begonnen aan een opmars in het bouwen van begijnhoven. Vanaf de 13e eeuw waren er ook mannen die de gewoonten van de begijnen zouden overnemen, ze werden begarden genoemd. In 1215 werden zij door het concilie van Lateranen verboden daar er sprake van ketterij zou zijn geweest. Het verbod werd een jaar later ingetrokken. Het concilie van Vienne heeft in 1311 een aantal stellingen die gebaseerd waren op het quiëtisme veroordeeld, de zogenaamde “errores beguinorum”. Na de verdwijning van de begarden vormden de begijnen in de Nederlanden zich tot orthodoxe vrouwengemeenschappen die vooral bloeiden rond de 17e eeuw. Ze legden geloften van gehoorzaamheid en kuisheid af maar behielden steeds de mogelijkheid om later alsnog te kunnen huwen. Ze brachten hun tijd vooral door met bidden, ziekenbezoek en weven. De opmerkelijke achteruitgang van de begijnen is er na de Franse revolutie gekomen.