Watergate schandaal

Het Watergate schandaal heeft betrekking op de Amerikaanse politiek omstreeks 1972-1974 en is genoemd naar het Watergate-gebouw in Washington waar de Democraten campagne voerden. Op 17 juni 1972 werd hier in aanloop naar de presidentsverkiezingen afluisterapparatuur geplaatst. De inbrekers werden gevat maar dit kreeg geen gevolg. Het was de bedoeling om de Democraten te kunnen afluisteren. In datzelfde jaar werd Richard Nixon verkozen tot president van de Verenigde Staten en versloeg daarmee George McGovern van de Democraten. Het was opmerkelijk hoe de Republikeinen zoveel info konden bemachtigen over de Democraten wat hun ook tot wanhoop heeft geleid.

Uitkomst van het Watergate schandaal:
In 1973 kwam aan het licht dat de Watergate-inbraak maar een deel was van een masterplan om de Democraten schade te kunnen berokkenen. Dit alles kwam naar buiten door journalisten van de “Washington Post”. Nixon beweerde niets van illegale praktijken af te weten, maar het stond buiten kijf dat het “Witte Huis” hier rechtstreeks bij betrokken was. De topadviseurs van de president Ehrlichman en Haldeman alsmede minister van justitie Mitchell traden af en werden ter beschikking gesteld van een speciaal opgerichte senaatcommissie o.l.v. Sam Ervin. President Nixon begon in het vizier van de publieke opinie te komen en weigerde alle medewerking. Volgens hem had hij hier niets mee te maken. De beschuldigde John Dean bekende dat in het “Witte Huis” alle presidentiële gesprekken waren opgenomen en dus werden deze voor onderzoek opgeëist. Tenslotte gaf de senaat in juli 74 opdracht om te beginnen met Nixons afzettingsprocedure. Hij trad uiteindelijk uit eigen beweging af.