Woudaapje (Ixobrychus minutus)

Het woudaapje is in bijna heel Europa, het Westelijk deel van Azië, Nieuw-Zeeland en in Noord- en Zuid Afrika terug te vinden. Als trekker zal hij tussen augustus en oktober naar Afrika vliegen om tegen eind maart-mei terug te komen. Je zal hem meestal in het riet of in moerassen terugvinden. Voor zijn broedplaats zal hij de voorkeur geven aan omvangrijke rietbedden, al heeft men deze soort ook al in kleine meren zien broeden. Zijn schuwheid is hem trouw maar tijdens de lente zullen zijn aanhoudende kreten de nestplaats gauw verraden. De mannelijke vogel neemt het iniatief om het nest te bouwen, wat later met behulp van het vrouwtje zal worden afgewerkt. Hun wanordelijk nest is gemaakt van takken en droge rietbladen dat met wat gras zal worden bedekt. Het vrouwtje zal tussen mei en juli 5 tot 6 eieren leggen die door beide ouders gedurende 16 tot 19 dagen zullen worden bebroed. Bij het uitkomen worden ze de eerste dagen gevoed met het braaksel van hun ouders om het daarna meteen in hun snavel toegediend te krijgen. Hun maaltijd bestaat uit insekten, kleine vissen en kleine kikkers. Na een week beginnen ze het terrein rondom het nest te verkennen en na eenentwintig dagen zijn ze volledig volgroeid. Het mannetje heeft een verenkleed van zwart met okerachtige delen terwijl het vrouwtje donkerbruine vlekken vertoont. In de reigerfamilie behoort deze tot de kleinsten en is daarmee van gestalte zo groot als de Vlaamse gaai.

Bronvermelding:
De grote encyclopedie der vogels(oorspronkelijke titel: Birds), uitgeverij Rebo Productions, Lisse(ISBN: 903660278.5) auteur: Karel Stastny. foto: Rudy Driesen-VVB